Termen en begrippen in de eindspelstudiewereld beschreven en toegelicht.
Kijk eventueel ook bij de engelse variant die wellicht aanvullingen of nuances heeft.
Voorbeelden van de begrippen zijn op de diverse pagina's van deze site zichtbaar.
Of kijk naar alle animated-gifs bij elkaar.
Schrijf een bericht in het gastenboek en laat weten wat je zoekt of wat we moeten verbeteren.

Wit speelt en wint. Wit speelt en wint.
Jan Marwitz, 1948 A.C. White, 1952.
Lewis-mat. Trapsgewijze beweging.
Afleidingsoffer met tempo. Een combinatie motief.
Aftochtschaak. Oude term voor als bij schaak de koning zich verplaatst en er daardoor een ander stuk en-prise komt te staan. Ook X-ray schaak genoemd.
Aftrekpat. Het verplaatsen van het voorste stuk uit een batterij, zodat samen met het demaskerende stuk er pat ontstaat.
Aftrekschaak. Het verplaatsen van het voorste stuk uit een batterij, zodat samen met het demaskerende stuk er schaak ontstaat. (Studie met 7 aftrekschaakjes achter elkaar!! Nr.265)
AllUmwandlung. (AUW) Promoties tot vier verschillende stukken in 1 studie.
Annihilatie: Het resultaat van een logische manoeuvre die de tegenstander verplicht een stuk of pion te nemen, waardoor een veld wordt ontruimd. (In een brilliant eindspel Diagram bij nr. 74.).
Anticipatie van een studie: een compositie dat eenzelfde idee heeft als een andere studie die al eerder gepubliceerd is. Daarmee degradeert de studie in originaliteit.
Voorbeeld van anticipatie:
Aliev,I 2002.
Na 1.Pf4+ Kd2. 2.Pd3 gaat de studie over in onderstaand origineel.
(Overigens is deze studie bewust door de componist gemaakt om dit aspect te laten zien).
De Feijter,C.J 1958. (Wit speelt en maakt remise)
(Er is zelfs een "studie" van Gaggiottini uit 1986 die bij zet twee van deze studie begint).
Maar deze heeft weer veel gelijkenis met:

Lazard,F 1909! (Wit speelt en maakt remise).
1. a7 Te8 2.Lc6 Tf8 3.a8D Txa8 4.Lxa8 Kd3 5.Kb3 a4+ 6.Ka2 c2 7.Le4+ (daar is hij weer) Kxe4 8.Kb2 Kd3 9.Kc1 en pat.
En als je dat allemaal niet weet maak je soms toch een leuke creatie die weer leidt tot...

Van Essen,M 2004 (Wit speelt en maakt remise). De hoofdvariant hierbij is:
1. Ng6 Ra2+ 2. Kxa2 d2 3. Nc2 d1=Q 4. Ne3+ Kd4 5. Nxd1 c2 6. Nc3 Kxc3 7. Nf4
Kd2 8. Nd3 Kxd3 9. Be4+ Kxe4 10. Kb2 Kd3 11. Kc1 en weer hetzelfde slot.
Anticipatie zet. Een zet die gedaan wordt om te kunnen reageren op een zet die nog moet komen.
Antikritische zet. Voorbeeld zie EBUR/1996/4/pag.14
Babson-task. Thema waarbij zowel een AUW voor zwart als voor wit voorkomt, maar waarbij tevens voor iedere zwarte (minor)-promotie beantwoordt wordt met hetzelfde type promotie door wit.
Batterij. Twee stukken van dezelfde kleur vormen een batterij als de verplaatsing van de ene de werking van de ander, het gemaskeerde stuk, in werking stelt. Een aftrekschaak is daar een bekend voorbeeld van. Het gemaskeerde stuk heet ook: het staartstuk.
Blokkade. Bezetting van een veld door een stuk van de eigen partij, waardoor een ander stuk, de koning bijvoorbeeld, dat voor hem belangrijke veld niet kan gebruiken; een onmisbare weg is dan afgesloten, verspert.
Bordercolly: Een studie (meestal een gekunstelde stelling) waarbij meestal één stuk de koning opjaagt.
Cheney-Loyd. Een interferentie thema dat lijkt op het Indische thema, waarbij echter het geinterfereerde stuk afgesloten blijft (er vindt dus geen aftrekschaak plaats). Naar C. Cheney (1860) en Sam Loyd.
Contra-studie. De ene partij wacht op welk initiatief de andere neemt. (EBUR/1994/4/pag.16).
Cook: een tweede oplossing welke niet bedoeld was door de componist. Daarmee vermindert sterk de waarde van de studie bij beoordelingen in toernooien.
Correctie: een verbetering van een (foutieve) studie.
Desperado: een stuk dat zich probeert op te offeren om pat te voorkomen of juist te forceren. Of een stuk dat toch verloren gaat, wordt geofferd om een bepaald effect te verkrijgen. Een dolle toren is daarvan een bekend veel voorkomend voorbeeld. (Klik en zie Diagram 9) Een stuk dat een dergelijk gedrag vertoont, wordt ook wel "bezeten" genoemd.
Dominantie: een thema waarbij een zwart stuk veel ruimte heeft maar toch gevangen wordt/is.
Dood hout. Stukken die maar zijdelings een functie hebben in een studie. Hoe minder daarvan aanwezig is, hoe hoger een studie wordt beoordeeld.
Doorbraak. De promotie van een pion wordt mogelijk gemaakt door het opofferen van materiaal. (Blader naar 79)
Driehoekje draaien (triangulation). Een manoeuvre om ervoor te zorgen dat in de beginstelling die andere partij aan zet is.
Dual: een alternatief voor wit, niet bedoeld door de componist maar ook geen cook. Een dual vermindert de schoonheid van de studie. Ook nevenoplossing genoemd. Oplossing die nie sterk verschilt van de bedoelde oplossing. Een pseudo-dual: kleine fouten zoals zetverwisseling of tijdverlies.
Echo: Een herhaling van een manoeuvre in dezelfde studie met een verschil. Bijvoorbeeld een manoeuvre op witte velden die op een ander antwoord van zwart op zwarte velden voorkomt.
Economie van een matstelling. Alle aanwezige stukken hebben een aandeel in de gecreëerde matstelling.
Eervolle vermelding (Honorable Mention; Hon.Mem.; HM). Een studie die buiten de prijzen is gevallen, maar wel waardering oogst.
Eeuwige achtervolging. Zie Perpetuum mobile.
Eeuwig schaak. De koning wordt door een voortdurende aanval achtervolgt, wat remise als uitslag oplevert.
Esthetische beoordelingselementen. Een studie wordt (in een toernooi) beoordeeld. De volgende elementen kunnen daarbij een rol spelen: partijwaarschijnlijkheid; presentatie; economie in het gebruik van materiaal; reinheid van matstelling; het verdichtingproces; de evenwichtsbalk.
Extra promotie. Studies waar meerdere pionpromoties in voorkomen. (Zie Schakend Nederland: 1991/9/pag.25).
Excelsior thema waarbij in de oplossing een pion vanaf zijn beginpositie (2e rij) promoveert op zijn eigen lijn. (Zie EBUR,17/2)
Fenix-thema. Het aan de ene kant opofferen van een stuk en het meteen aan de andere kant weer laten herrijzen door een pion-promotie.
Festina lente. Thema waarbij de pion niet de sprong van 2e rij naar 4e rij kiest maar de langzame zet naar de 3e rij kiest (meestal om een extra tempo te behouden). Ook wel genoemd de getemporiseerde opmars.
Grimshaw interferentie. Een wederkerige interferentie tussen loper en toren van dezelfde kleur op 1 veld, zonder offer op het interferentieveld. Genoemd naar Walter Grimshaw (1832-1880).
Hetorodox oppositie. Toegevoegde velden ...
Hinderlaag. Een stuk wordt achter een ander stuk geplaatst om na het wegspelen van dat tweede stuk werking uit te oefenen. M.a.w. een stuk plaatst zich achter een ander stuk, zodat een batterij gevormd wordt. Het andere stuk kan van beide kleuren zijn. (naar W.J.G. Mees in EBUR sep.1991).
Holzhausen. Een interferentie a la Plachutta, waarbij er geen stukoffer op het snijpunt plaats heeft. Genoemd naar W.von Holzhausen.
Incorrectie. Een studie is cooked of onoplosbaar.
Indische thema. Een interferentiethema waarbij eerst een kritische overschrijding plaatsvindt van het snijpunt door het te interfereren stuk. Er zijn in de nog subtype's: zwarte-indier; pseudo-indier, peri-indier, Herlinthema.
Inleiding. Een voorspel van een studie waarna pas het werkelijke thema aan de orde komt.
Interferentie. De onderbreking van een lijn van een stuk, de versperring van die lijn. Komt uiteraard voor in studies met stukken die een lijnfunctie hebben: dame, toren, loper. (Zie ook Novotny en Plachutta). (Zie EBUR/1993/4/pag.19).
Inversie: Twee witte zetten die in volgorde beide gespeeld kunnen worden zonder het resultaatverschil.
Kameleonbewerking/echo. De studie is qua thema niet origineel maar wel qua bewerking. (Zie het voorbeeld hieronder: 2 varianten).

Prokop,F 1925
Wit speelt en maakt remise.
Kling thema: voorbeeld zie nr. 104. Een interferentiethema als een Seeberger waarbij het zwarte stuk zichzef insluit in een poging pat te forceren.
Krakingen Incorrectheid van studies.
Kruispenning. Speciale penning waarbij een stuk dat een penning uitvoert zelf ook gepend wordt.
Kruisschaak (Cross-check). Een stuk beantwoordt het schaak van de tegenstander met een tegenschaak.
Lewis-Mat. Een mat midden op het bord (een voorbeeld zie onderaan).
Lijnruiming. Het openen van lijnen voor torens of diagonalen voor lopers. Men noemt dit ook wel het Bristol-thema (naar F.Healy in 1861 in een probleemcomponistentoernooi gehouden in Bristol) Zie nr.180.
Lokoffer. Zelfde als een magneet.
Magneet. Een offer van een pion of stuk om een stuk van de tegenstander op een 'verkeert' veld te lokken. (Voorbeeld zie nr.167)
Maljoetka. Russische term voor een studie met maximaal 5 stukken.
Mansube. Stuntwerk in de schaakstudie, met veel "Ah"en "Oh" gehalte. Circusnummers. Genoemd naar de oude Arabische schaakspelkunst. (voorbeeld volgt).
Mat studie. Die is niet zoals de probleemopgave van mat in precies x-aantal zetten tegen iedere verdediging, maar het gevolg van een 'vrijwillige keuze' van zwart.
Mat van Anastasia. Een matbeeld dat zich alleen met een voorbeeld laat verduidelijken (volgt). De toren geeft schaak, terwijl het paard de andere velden voor zijn rekening neemt. Na een sprookje "Anastasia und das Schachspiel van Wilhelm Heinse (1746-1803).
Meester en Grootmeester in Composition, zijn titels die toegekend worden door de FIDE.
Miniatuur. Een studie met 7 of minder stukken in de beginstelling.
Minor Promotie: de promotie van een pion tot Toren, Loper of Paard. (Ook genoemd onderpromotie). In bijzondere studies komen voor: meervoudige minorpromoties; wederkerige minorpromoties of successieve minorpromoties. Zie voor meer specialiteiten het ARVES: boek Pawn Promotion. by Harold van der Heijden.
Monster. Een studie met 16 stukken of meer in de beginstelling.
Novotny interferentie: plaatsing van een stuk op het snijpunt van de lijnen van een loper en een toren. (zie ook Snijpunts thema en Plachutta). Hier een paar mooie voorbeelden. Genoemd naar Dr. Anton Novotny (1829-1871).
Obstructie. Bezetting van een veld waarop een ander stuk van dezelfde partij actief had moeten kunnen optreden; een belemmering van de voor een goed verloop noodzakelijke voortgang.
Oppositie. Is een ander woord voor toegevoegd velden. De oppositie winnen betekent het toegevoegd veld bezetten. In pionnen-eindspelen heeft de oppositie een vast geometrisch uiterlijk (verticale, horizontale, schuine, verre en nabije oppositie).
Overbelasting. Een stuk is gebonden aan meerdere taken, bijvoorbeeld het bewaken van twee of meer velden en wordt extra belast of de aandacht wordt verschoven.
Partijwaarschijnlijkheid is een esthetisch beoordelingselement bij studies. Het betekent dat de componist moet werken met de elementen van de strijd die eigen zijn aan de (gewone) schaakpartij.
Pat (=Stalemate). Een paar voorbeelden in partijen ga naar nr 118. En naar 180.
Penning. Thema. Een vijandig stuk verhinderen te kunnen spelen.
Perpetuum mobile. Herhaling van zetten. Bijvoorbeeld een eeuwige achtervolging van een stuk. Als het een koning is die steeds met schaak achtervolgd wordt heet dat eeuwig schaak.
Peri-kritische manoeuvre.
Philidor's Lozenge. De stelling en manoeuvre waarbij een paard een randpion kan tegenhouden door rond te blijven springen. (Ontdekt door de 17e eeuwse Franse schaker Philidor). In dit verband is ook de term molenwiek bekend (Zie EBUR/1993/2/pag.15).
Pickaninny. Vier pionvarianten. (EBUR/1994/4/pag.15).
Plachutta interferentie: een interferentie van twee "gelijkbewegende" stukken (dus verticaal/horizontaal en diagonaal/diagonaal), door een wit stukoffer (op het snijpunt) met benutting door een secundaire "weglokking" van het zwarte stuk van het sbijpunt. Genoemd naar J.Plachutta zie nr 205. Ook hier een paar mooie voorbeelden. Zie verder ook Holzhausen.
Positionele remise. Beide partijen kunnen het evenwicht niet verbreken en de zetten leiden tot herhalingen van stellingen. Ook wel genoemd remise door vestingbouw.
Presentatie is een esthetisch beoordelingselement bij studies. De beginsituatie van de studie moet a.h.w. uitnodigend zijn. De daarin neergelegde probleemstelling moet intrigeren. De slotstelling moet verborgen liggen waardoor de verrassing bij het bereiken van die stelling groter is. Het spelverloop, de te volgen weg, komt beter uit wanneer onze eerste gedachten daarover, die we kregen als gevolg van wat ons in het begin werd voorgehouden - in een verkeerde richting gingen, waardoor het inslaan van de goede weg werd verzuimd, c.q. verworpen. In die gevallen is er dan sprake van een z.g. verleidingsvariant.
Reinheid van Mat. Geen enkel veld rondom de mat gezette koning om meer dan één reden voor die koning ontoegankelijk is. M.a.w. ieder veld wordt door slechts 1 stuk bestreken. Ook wel Puur Mat genoemd. Idem voor Reinheid van Pat.
Réti thema: Zwart heeft twee verschillende dreigingen die wit met één zet pareert omdat deze zet voor beide dreigingen geschikt is en zwart slecht één dreiging kan uitvoeren. (zie HomePage). En ook nr.179.
Retrograde analyse. Een analyse van de stelling waarbij het voorafgaande spel wordt onderzocht. Zo kan het nodig zijn om na te gaan of in een stelling de rokade nog speelbaar is; of er en-passant geslagen kan worden; of dat zelfs nagegaan moet worden of de stelling wel mogelijk op het bord kan zijn gekomen vanuit de beginstelling. Voorbeeld1 diagram 81. Voorbeeld2.
Seeberger. Een interferentiethema waarbij een zwart stuk over een snijpunt wordt gelokt, waarna het volledig wordt ingesloten door een ander stuk. Genoemd naar Johann Seeberger (1843-1879).
Sleutelzet. De eerste zet die bepalend is.
Snijpunts thema. Interferentie van een wit (zwart) stuk op het snijpunt van twee vrije lijnen van zwarte (witte) stukken. Zie o.a. Grimshaw, Novotny en Plachutta.

Rinck,H 1907
2 varianten.
Tegenschaak (cross-check). Als een partij schaak staat en door het opheffen van het schaak weer schaak geeft.
Tegenspel. Als in een studie de tegenpartij (zwart) spannend en gepointeerd kan tegenspelen verhoogt dat de esthetische waarde van de studie.
Tempoduel. Het plaatsen van stukken (meestal de koning) op corresponderende velden t.o.v. een stuk van de tegenstander meestal om remise te bereiken. Ook de termen oppositie en sleutelveld behoren hiertoe.
Thematische verleiding. Een variant die niet de oplossing is, maar die wel het idee van de studie in zich heeft.
Theorie. Schaakkennis welke wordt gebruikt om aan te geven dat de uitslag van een bepaalde stelling als bekend wordt verondersteld.
Toegevoegde veld. wanneer het witte stuk naar een bepaald veld gaat moet het zwarte stuk naar een ander bepaald veld gaan, op straffe van een voor zijn partij ongustig gevolg. Een systeem van toegevoegde velden omvat een of meer velden-paren. Vrijwel altijd gaat het tussen twee stukken. Een zet van een derde stuk tussendoor doet de toegevoegde velden verdwijnen of verspringen.
Transpositie. Een variant die overgaat in een reeds eerder genoemde variant.
Trapsgewijze beweging. Een geometrisch motief waarbij een stuk (toren, dame of koning) beweegt alsof deze een trap oploopt of afdaalt.
Tussenzet.
Tweeling. Een type compositie welke twee studies in zich heeft door een kleine wijziging van de stelling, bijvoorbeeld door het toevoegen, verplaatsen of weglaten van een stuk.
Verdichtingproces. is een esthetisch beoordelingselement bij studies. Het gaat dan over de spelopbouw en de groei naar de climax. Het samenkomen van de acteurs die in de slotscène moeten optreden. Het spreekt vanzelf dat het effect van samenkomen groter is naarmate de deelnemers aan die samenkomst grotere afstanden hebben moeten afleggen.
Verleidingsvarianten. Varianten die niet maar slechts schijnbaar tot het doel leiden. (Zie ook thematische verleiding).
Versie: een alternatieve studie en naar verwachting een verbetering van een studie van dezelfde componist.
Vestingbouw. Een vorm van positionele remise, waarbij een onneembare stelling is gecreëerd.
Vork: een dubbelaanval van een paard of pion op stukken van een hogere waarde.
Wederkerig en-prise staan. Een thema waarbij twee stukken elkaar kunnen slaan.
Wederzijds pat (reciprocal stalemate): In een kritische stelling waarbij wit aan zwart de keus laat tussen twee varianten waarbij in de ene wit pat wordt gezet en in de andere zwart pat wordt gezet. Ook wederkerig pat genoemd.

Wit speelt en maakt remise.
Liburkin,M 1939
Wederkerig Pat.
Wederzijdse zetdwang (Mutual or Reciprocal zugzwang). De kleur die aan zet is verliest (of maakt slechts remise).
Zugzwang (zetdwang). De speler die aan zet is verliest. Als deze speler niet aan zet zou zijn, zou er geen gevaar zijn. Dit thema is een logisch gevolg van de plicht om te zetten. Er is zetdwang als door de voorzet de uitslag ongustiger wordt of de tegenstander zijn doel of meer zetten eerder bereikt. Zetdwang verwijst dus naar het succes van de tegenstander en de snelheid waarmee hij dit verwezenlijkt. Zetdwang is wederzijds, tenzij het snelheidsverschil één zet bedraagt. Zetdwang leidt (derhalve) niet steeds tot een verzwakking. Zetdwang van de een verzoorzaakt vaak zetdwang van de ander. (H.W. Muzerie). Zie ook de artikelen serie van Teun Balemans in EBUR. (Voorbeeld zie nr. 200). (Zie ook voorbeelden in EBUR/1993/4/pag.21 en in EBUR/1995/2/pag. 16 ev waarin o.a. ook absolute en relatieve zetdwang wordt toegelicht).
Zuiverheid. Thematische zuiverheid is een kwalificatie van een studie. Het is een beoordelingscriterium. (Zie EBUR/1993/3/pag.7).
Bronnen:
"Charged Moves and Progressions, Nico Cortlever's Endgame Studies" door Harrie Grondijs 1996.
"Eindspelkunst" door Jan H. Marwitz, 1983/1991.
"The Chess Endgame Study" door A.J. Roycroft, 1981.
"Over zetdwang" Henk.W. Muzerie, 1992.